Uw aanwezigheid

Onderstaand de tekst die Joost Baars uitsprak tijdens de presentatie van het extatische landschap in, afgelopen donderdag.

Dag allemaal, welkom bij Boekhandel van Rossum, stiekem de leukste boekhandel van Amsterdam. Ik werk hier, en ik sta hier nu voor u in die hoedanigheid. Maar alles loopt door elkaar vanavond, want ik sta hier niet alleen professioneel. Edwin Fagel is ook een van mijn favoriete dichters, én hij is een van mijn beste vrienden. Ik ben dus minstens driedubbel blij dat wij hier vanavond zijn nieuwe bundel het extatische landschap in presenteren.

Die ‘wij’, dat zijn Uitgeverij Nieuw Amsterdam, Boekhandel van Rossum, Rozalie Hirs, Sebastiene Postma, Bas Buissink, ikzelf, en iedereen hier aanwezig. Edwin heeft mij gevraagd om deze avond te openen door iets over de bundel te zeggen. Ik denk, heel in het kort, dat we hier te maken hebben met niet alleen Edwins beste bundel tot nu toe – de beste want het meest consistent, het meest compromisloos, en daardoor ook veruit de helderste en meest ontroerende – maar ook met wat je met een beetje fantasie het sluitstuk van een vierluik zou kunnen noemen, met Uw afwezigheid, Het geroofde lichaam van Charlie Chaplin en nul als de eerste drie delen.

Hoe zit dat? Je kunt het werk van een dichter, dus dat wat een dichter feitelijk doet, kenschetsen met de vraag: wat is het nou eigenlijk dat ik wil zeggen? Die vraag benadert een dichter met de nodige scepsis: is wat ik heb gezegd wel wat ik wilde zeggen? En tegelijk met een volgens mij bijna grenzeloos vertrouwen: is wat ik heb gezegd in plaats van wat ik wilde zeggen misschien beter dan wat ik wilde zeggen, ja, komt het wellicht dichter in de buurt van wat ik wilde zeggen dan ik zou denken op basis van het feit dat ik eigenlijk niet dit, maar iets anders wilde zeggen? Zo cirkelt een dichter voortdurend om datgene wat hij wil zeggen, terwijl hij het, al falende en zonder het door te hebben, zegt.

Toen ik Edwin leerde kennen, ergens in de tweede helft van de jaren ’90, schreef ik over verlies, en Edwin schreef over een vrouw. Een bestaande. Ik kende haar niet, en hij vertelde ook zelden over haar. Ik vroeg me, denk ik, vooral af waarom hij haar niet gewoon uit zijn hoofd zette. Wat ik me toen nog niet realiseerde, en ik denk dat Edwin het ook nog niet door had, in elk geval nog niet zo goed als nu, was dat die vrouw in zijn gedichten toen al niet zomaar de werkelijk bestaande vrouw was waar hij haar destijds op baseerde. Ze was, ook toen al, God, of Christus, of het goddelijke, of welke half-geschikte naam je er maar aan wilt geven.

Edwin en ik waren altijd goed bevriend, maar we hebben – niet helemaal, maar wel grotendeels – afzonderlijk van elkaar in onze poëzie de wending naar de mystiek gemaakt. Ik schrijf nog steeds over verlies, en hij nog steeds over die vrouw. Mystiek is een mooi, verraderlijk en onbegrijpelijk gebied, omdat je je erin afhankelijk maakt van iets anders, iets met een eigen wil. Dat is een merkwaardige daad voor een schrijver, omdat je als mystiek schrijver niet helemaal zelf meer bepaalt wat je doet. Iets waarvan de moeilijke ontstaansgeschiedenis van deze bundel – die ik een beetje heb meegemaakt – van kan getuigen.

Die cirkelgang van de dichter die ik zoëven beschreef, die wordt in een mystieke context versterkt, geradicaliseerd. De mystieke dichter is een dichter die almaar rondgaat om een bepaald punt, een bepaalde gedaante, daar mogelijk nooit echt dichterbij komt, behalve dat hij, in zijn eigen onvermogen tot naderen, door dat punt, die gedaante, wórdt benaderd. Als je geluk hebt.

Wie Edwins oeuvre leest, ziet dat hij bundel voor bundel – inclusief zijn bibliofiele uitgaven, waarvan het zeer aanbevelenswaardige departures vanavond hier bij hoge uitzondering verkrijgbaar is – zich tot bepaalde onderwerpen en thematieken wendt, en dat zich, terwijl hij dat doet, altijd weer die vrouwelijke gestalte in het werk komt opdringen. Als een duveltje uit een doosje, zo kon je tot nu toe zijn werk lezen, als poëzie waarin die vrouwelijke gestalte een bepaald extraatje was, iets dat zijn thema’s een bepaalde gelaagdheid kwam geven, iets dat zijn lezers op het verkeerde been kwam zetten. Maar nu we het extatische landschap in hebben, weten we: nee, die dame is geen extraatje, geen toefje slagroom op de taart, maar ze is waar het altijd al om ging. Zíj is de kern van zijn werk.

het extatische landschap in is Edwins eerste bundel waarin zij zich niet opdringt in poëzie die al aan de gang is, waarin haar gestalte niet de plannen komt verstoren, waarin haar gestalte niet net datgene is dat een anderszins kraakheldere poëzie van een mysterieuze en mystieke laag voorziet. het extatische landschap in is een bundel waarin Edwin, voor het eerst, van de eerste tot de laatste pagina, zich volledig overgeeft aan haar roep.

Aan haar wil.

Het is daarom tegelijk Edwins meest abstracte en meest directe bundel geworden. En ook: zijn meest radicale, zijn meest consistente, zijn meest tedere, zijn meest ontroerende, en ja ik zei het al, zijn beste. Bovendien is het extatische landschap in een sleutelbundel voor zijn oeuvre. Dit is de bundel voor wie zich afvroeg: waar hééft die man het in vredesnaam over, wat komt die zij steeds doen in zijn poëzie? Het is niet zo dat wie hem leest op die vraag een pasklaar axiomatisch antwoord krijgt. Het boek is niet dicht na deze bundel. Maar wat je wel krijgt is dit: een aanwezigheid van een gestalte, die je stap voor stap leert kennen door door te maken wat de bundel zo duidelijk en helder wil dat je doormaakt. Deze bundel had daarom, naar het debuut Uw afwezigheid, ook Uw aanwezigheid kunnen heten.

Je krijgt een gestalte bovendien die alle vragen die er bestaan rond goddelijkheid, vrouwelijkheid, creativiteit, hoop en wanhoop in een ander daglicht stelt. En wat ik ook sterk vind: Edwin lepelt die vragen niet op. Dat werk is aan de lezer, die volslagen vrijelijk ervoor kan kiezen dat werk te doen. Of niet. Het is daarom ook een veeleisende bundel, een kwetsbare ook, met een levensgroot risico op onbegrip. Ook daarin is de bundel radicaal, en Uitgeverij Nieuw Amsterdam verdient een compliment dat hij in het fonds is opgenomen.

En er is een bonus: met het extatische landschap in in de hand, met de gestalte die eruit opdoemt, kun je terug in Fagels oeuvre, en het met volkomen nieuwe ogen lezen. Je kunt als het ware terug de cirkelgang in. En het heeft er alle schijn van dat de bundel hetzelfde zal doen voor de bundels die nog moeten komen. De bundel werpt ook zijn licht vooruit. Wat Edwin ook zal gaan schrijven in de toekomst, wij weten nu al dat we er met andere ogen naar zullen kijken dankzij het extatische landschap in. Dat betekent dat de bundel ons al veranderd heeft nog voordat we aan de toekomst zijn begonnen.

Dat is een voorrecht dat wij hebben als lezers. Want Edwin zelf kan na het extatische landschap in niet terug. Hij moet vooruit. Hoe ga je verder na zo’n kernachtige, radicale, poëticale, oeuvredefiniërende bundel? Ik heb geen idee, maar ik hoef die vraag gelukkig niet te beantwoorden. Ik mag van het antwoord simpelweg getuige zijn.

Comments are closed.